De dienstencheque in Vlaanderen: tot uw dienst?

, 1.339 keer bekeken
Vandaag maakt Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Jo Vandeurzen het onderzoeksrapport 'De dienstencheque in Vlaanderen. Tot uw dienst of ten dienste van zorg?' openbaar. Het onderzoek werd uitgevoerd door het HIVA - K.U.Leuven o.l.v. Prof. J. Pacolet en geeft een uitgebreide analyse over de mate waarop dienstencheque-ondernemingen actief zijn in de zorgsector en over het gebruik van het stelsel door de zorgsector zelf. De impactanalyse zal als basis dienen voor een grondig debat over de aanwending van de dienstencheque in de toekomst.

Situering


Sinds het succesvol invoeren van de dienstencheque is deze vorm van gesubsidieerde dienstverlening in Vlaanderen niet meer weg te denken. De dienstencheques kunnen gebruikt worden voor zowel hulp in de woonplaats van de gebruiker (schoonmaak, wassen en strijken, occasioneel naaiwerk, bereiden van maaltijden) als voor hulp buiten de woonplaats van de gebruiker (boodschappen, begeleid vervoer van personen met beperkte mobiliteit, strijkwerk in een strijkatelier). De gebruikersbijdrage per cheque is 7,5 euro, na fiscale aftrek nog 5,25 euro. De erkende dienstenchequeonderneming ontvangt per cheque van de federale overheid 21,1 euro om deze diensten te realiseren. De totale kost van het stelsel voor de federale overheid wordt geraamd op 2,2 miljard euro.
Via dit aanbod is de combinatie van arbeid en gezin voor velen haalbaarder geworden; wordt er werk gemaakt van het bestrijden van zwart werk en is er zinvolle en kwalitatieve arbeid gecreëerd. In het kader van het realiseren van een voldoende, beschikbaar en toegankelijk aanbod aan hulp - en dienstverlening, stelden we vast dat het gebruik van dienstencheques in de welzijnssectoren systematisch toenam. Minister Jo Vandeurzen wenste daarom de impact van deze evolutie te bewaken vanuit het oogpunt kwaliteit van zorg en toegankelijkheid van het aanbod en gaf aan het Steunpunt Welzijn Volksgezondheid en Gezin de opdracht een impactanalyse van het stelsel van dienstencheques op de woonzorgvoorzieningen uit te voeren.

Katalysator voor een globale evaluatie


Het rapport moet uiteindelijk leiden tot beleidsintenties en beslissingen. Om hiertoe te komen zullen dit najaar adviezen en beleidsaanbevelingen opgevraagd worden van ondermeer de SERV (Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen) en de SAR WGG (Strategische Adviesraad voor het Vlaamse Welzijns-, Gezondheids- en Gezinsbeleid).
Het rapport zal eveneens toegelicht en besproken worden in het overleg 'dienstencheques' tussen gemeenschappen, gewesten en de federale overheid. Op de interministeriële conferentie Welzijn, Gezin en Sport van 1 maart 2010 werd afgesproken dat een gecoördineerd overleg m.b.t. de dienstencheques noodzakelijk is. Het onderzoeksrapport wil de katalysator zijn om een globale evaluatie van het stelsel op te starten.

Voornaamste conclusies van het onderzoeksrapport


  1. Spectaculaire groei van het stelstel van de dienstencheque
    Het dienstenchequestelsel in zijn huidige vorm bestaat goed zeven jaar. Het onderzoek stelt vast dat de opmars van de dienstencheque zich voortzet. Nu reeds maakt de dienstenchequetewerkstelling 2,2% uit van de totale tewerkstelling. De totale zorgsector is goed voor 11% van de totale tewerkstelling.


  2. 2 op 3 dienstencheques gebruikt bij commerciële dienstenchequebedrijven
    Van in totaal 60 miljoen uren dienstencheques die in 2010 werden gebruikt in Vlaanderen, nemen de commerciële dienstenchequebedrijven ongeveer 2/3de voor hun rekening. Daar is tot 44% bestemd voor personen ouder dan 65 en 8% voor hulpbehoevende personen (respectievelijk 18 en 3 miljoen uren). Via de dienstenchequefinanciering worden zij een belangrijke speler in de sector van hulp aan ouderen of zelfs hulpbehoevende personen.


  3. Prominente aanwezigheid van de dienstencheque in gezinszorg en aanvullende thuiszorg
    Ook de reguliere aanbieders van gezinszorg, aanvullende thuiszorg en logistieke hulp hebben deze nieuwe financieringsmogelijkheden aangegrepen om hun aanbod te verruimen. Het volume aan dienstencheque-uren overtreft soms hun traditioneel aanbod van poetshulp. De reguliere aanbieders in de thuiszorg, privaat of publiek of via een PWA, vormen respectievelijk een aanbod van ongeveer 8 miljoen, 3 miljoen en 5 miljoen uren hulp via dienstencheques. Dit vormt een totaal van 16 miljoen uren. Wat dit segment betreft evenaart de openbare sector de private non-profit aanbieders in de thuiszorg, en dit voornamelijk via de PWA's. Het aanbod van deze laatste is ongeveer het volume van uren dat zij vroeger via PWA-cheques konden realiseren. Het aantal uren reguliere schoonmaakhulp (de zogenaamde poetsdiensten) van alle thuiszorgdiensten samen bedraagt ongeveer 6,8 miljoen uren en 22 miljoen als men reguliere gezinszorg meetelt, waarin ook schoonmaakhulp zit. Dienstencheque-uren van de thuiszorgdiensten en reguliere poetshulp vormen samen 23 miljoen uren. Dankzij de dienstencheque breiden zij zowel hun regulier aanbod van poetsdienst of schoonmaakhulp uit, maar betreden zij ook meer en meer de markt van huishoudelijke hulp die de combinatie 'gezin en arbeid' moet vergemakkelijken.
    Maar ook de commerciële aanbieders van dienstencheques hebben alleen al bij de 65+ een volume aan uren gerealiseerd dat het totale volume aan dienstencheque-uren van de thuiszorgdiensten evenaart. Deze overwegend commerciële aanbieders overwegen soms een erkenning aan te vragen als aanbieder van thuiszorgdiensten, of minstens als erkende dienst voor logistieke hulp of zoeken verder samenwerking met de zorgsector. De branchevervaging is daarmee compleet, wat zich ook laat voelen in een groeiend gebrek aan transparantie van de statistieken.
    Het kan ons dan ook niet verwonderen dat in tal van enquêtes bij oudere of hulpbehoevende personen, de aanwezigheid van hulp via de dienstencheques, prominent aanwezig is en zelfs de gelijksoortige reguliere hulp overtreft.


  4. Beperkte aanwezigheid van de dienstencheque in de residentiële zorg
    In de residentiële ouderenzorg is het gebruik van de dienstencheque veel minder aanwezig, maar ook niet afwezig. Vooral in de serviceflats is de aanwezigheid groter, maar qua omvang is dit een beperkte sector. Bij de openbare woonzorgcentra lijken dienstencheques minder ingezet te zijn omdat men vaker een beroep kan doen op PWA-krachten en vooral op GESCO's. Naar de toekomst toe acht men wel een grotere rol wenselijk, vermoedelijk omdat het takenpakket nu al overeenstemt met een takenpakket dat men ook in de residentiële zorg nodig heeft. Hetzelfde geldt voor personen met een handicap. Daar ook wordt vastgesteld dat in nieuwe financieringsmechanismen als het persoonlijk assistentiebudget (PAB) en de experimenten persoonsgebonden budget (PGB) de schoonmaakhulp via dienstencheques een vaak voorkomende hulpvorm is.


  5. Kostprijs van de dienstencheque: van een geraamde 84 miljoen naar 2,2 miljard euro
    De loonbarema's gehanteerd voor de dienstenchequewerknemers zijn uiteenlopend, en zo ook de opvattingen over competenties. De commerciële dienstenchequebedrijven hanteren een iets lager tarief. De publieke thuiszorgdiensten hanteren dezelfde tarieven als voor de poetshulp, en geen beperking in de anciënniteit. De private thuiszorgdiensten hanteren een vergelijkbaar tarief, maar met een beperking in de anciënniteit. Deze toestand zal op termijn ook kostenverhogend zijn en de levensvatbaarheid van de sector ondermijnen. Ondertussen is de totale budgettaire kost voor België die bij het lanceren van het stelsel op 84 miljoen was geraamd, zes jaar later naar een werkelijke kostprijs van 2,2 miljard geëvolueerd.
    De financiering van de dienstencheque in Vlaanderen door de federale overheid anno 2010 wordt geraamd op 1,3 miljard euro of een equivalent van 42% van het budget van de Vlaamse Overheid voor Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. Door de druk op de overige overheidsmiddelen zal de vraag naar de houdbaarheid van deze financiering, of de vraag naar heroriëntatie van die middelen toenemen. Het rapport geeft aan dat dit prioritair in de richting van de zorgbehoevende personen dient te gaan.


  6. Conclusie
    Het recente beleid en het maatschappelijke debat hadden de neiging om de dienstencheque niet te oriënteren naar de zorg, en er zijn ook een aantal initiatieven genomen of gepland om dit in te perken (bijvoorbeeld verbod in de residentiële ouderenvoorzieningen, uitsluiting van personen met een handicap voor de geplande sociale dienstencheque). Desondanks is de groei van de dienstencheques ook in dit zorgsegment gerealiseerd en is dermate groot dat het een belangrijke deelgroep wordt, en in de toekomst door de vergrijzing van de bevolking een nog grotere groep zal worden. Oriëntatie naar zorgsituaties is, volgens het rapport, een prioritaire en legitieme aanwending van overheidsmiddelen en misschien de beste garantie voor de toekomst van de tewerkstelling in deze sector. Kortom de basis voor een grondig debat ligt op tafel.


De studie werd door Prof. Jozef Pacolet, Frederic De Wispelaere en Annelies De Coninck overgemaakt aan Vlaams Minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin. U vindt het onderzoeksrapport met daarin ook een meer uitgebreide samenvatting op www.steunpuntwvg.be.

Inloggen

Let op: Je login van de oude site werkt hier niet! Kijk hier voor meer info.

Hou me aangemeld